Half augustus stonden er bij de Cliffs of Moher rond het middaguur nog negen touringcars op de parkeerplaats, allemaal vol dagjesmensen uit Dublin en Shannon die precies vijfenveertig minuten kregen voor foto's, souvenirs en terug naar de bus. Kom je nu, eind september, dan tref je er misschien twee bussen en een handvol huurauto's, en heb je de moed om verder te lopen dan het eerste uitkijkpunt, dan sta je binnen tien minuten helemaal alleen boven op de kliffen. Dát is het moment waarop de westkust van Ierland weer van zichzelf wordt: minder mensen, nog steeds groen, en een licht dat 's avonds tot ver na negenen blijft hangen.
Waarom september de beste maand is voor de westkust
De Wild Atlantic Way is met ruim 2.500 kilometer de langste aaneengesloten kustroute van Europa, van Kinsale in het zuiden tot Malin Head helemaal in het noorden. In juli en augustus rijdt het grootste deel van dat traject vol, vooral het stuk tussen Galway en Kerry, waar de meeste Amerikaanse en Britse bezoekers zich concentreren rond een handvol iconische stops. Zodra de schoolvakanties in Ierland zelf en in de rest van Europa voorbij zijn — meestal de eerste week van september — daalt de drukte snel, terwijl de temperaturen nog behoorlijk mild blijven. Reken op 15 tot 17 graden overdag in Kerry, met kans op buien die net zo snel wegtrekken als ze komen. Het is geen strandweer, maar voor wandelen langs kliffen en door schiereilanden is het precies goed: fris genoeg om urenlang door te lopen, niet koud genoeg om je handschoenen nodig te hebben.
Er zit ook een praktisch voordeel aan: bed & breakfasts die in augustus wekenlang volgeboekt zaten, hebben in september ineens weer kamers vrij, vaak voor twintig tot dertig procent minder dan in het hoogseizoen. Een dubbele kamer in een familiehotel rond Dingle of Killarney kost dan zo'n 90 tot 120 euro per nacht in plaats van 140 tot 160 euro. De boottochten naar Skellig Michael lopen wél door tot begin oktober, weer toelatend, maar de laatste weken van het seizoen zijn de boten aanmerkelijk makkelijker te boeken dan in juli, toen sommige operators al in mei volzaten.
De route: van Galway naar het Dingle-schiereiland
De meeste bezoekers uit Nederland en België vliegen naar Dublin — met KLM of Aer Lingus is dat ruim anderhalf uur vanaf Schiphol — en huren daar direct een auto, want het openbaar vervoer op de westkust is dun en onregelmatig. Vanaf Dublin is het ongeveer drie uur rijden naar Galway, een stad die zelf ook de moeite waard is voor een avond: de smalle straatjes van de Latin Quarter, livemuziek in pubs als Tigh Neachtain, en vis die 's ochtends nog in Galway Bay zwom. Let op: in Ierland rijd je links, en de meeste huurauto's zijn handgeschakeld tenzij je expliciet automaat boekt, wat vaak vijftien tot twintig euro per dag extra kost.
Vanuit Galway loopt de weg zuidwaarts door de Burren, een kalksteenlandschap dat er in september net zo kaal en maanachtig bijligt als in juli, maar dan zonder de rijen auto's bij elke parkeerplaats. De Cliffs of Moher liggen op ongeveer een uur rijden, en wie na het officiële bezoekerscentrum doorloopt richting Hag's Head, in het zuiden van het klifpad, laat negentig procent van de dagjesmensen al binnen een kwartier achter zich.
Het Dingle-schiereiland: kleiner dan de Ring of Kerry, en daardoor beter
Waar de meeste reizigers rechtstreeks doorrijden naar de Ring of Kerry, slaat de Wild Atlantic Way eerst een lus om het Dingle-schiereiland, en dat stuk wordt vaak overgeslagen — ten onrechte. De Slea Head Drive, een lus van zo'n 50 kilometer rond de westpunt van het schiereiland, combineert dezelfde kliffen en baaien als de beroemdere Ring of Kerry, maar dan op een weg die smaller is en minder tourbussen te verwerken krijgt, simpelweg omdat de meeste grote bussen er niet goed doorheen passen. Onderweg passeer je de Gallarus Oratory, een stenen kerkje uit de vroege middeleeuwen dat na dertien eeuwen nog steeds waterdicht is, en de clocháin, de bijenkorfvormige stenen hutten waarin monniken hier ooit woonden.
Dingle Town zelf telt nog geen tweeduizend inwoners, maar heeft opvallend veel goede visrestaurants voor die omvang. Bij Out of the Blue, vlak bij de haven, staat er geen menukaart met vaste gerechten — wat er die ochtend binnenkwam, bepaalt wat er 's avonds op tafel komt. Reken op 25 tot 35 euro voor een hoofdgerecht met verse vis, wat voor Ierse begrippen redelijk geprijsd is. 's Avonds is er in pubs als Dick Mack's of Foxy John's — half kroeg, half ijzerwinkel, een combinatie die alleen in Ierland lijkt te bestaan — vaak spontane traditionele muziek, zonder dat daar een optreden voor is aangekondigd.
Toegegeven, niet alles aan Dingle is stil geworden. Sinds de dolfijn Fungie, die hier decennia lang boten begeleidde, in 2020 verdween, is de nadruk verschoven naar boottochten om zeehonden en papegaaiduikers te spotten op de Blasket Islands, en die tochten trekken inmiddels bijna evenveel bezoekers als de dolfijn ooit deed.
De Ring of Kerry zonder de file van tourbussen
De 179 kilometer lange Ring of Kerry, rond het Iveragh-schiereiland, is de bekendste route van het land, en precies daarom in het hoogseizoen ook de meest gefrustreerde. Tourbussen rijden er verplicht met de klok mee, dus wie in juli of augustus met de auto tegen de klok in rijdt, komt op de smalle stukken bij Moll's Gap voortdurend bumper aan bumper te staan met bussen die niet kunnen uitwijken. In september is dat probleem grotendeels verdwenen, simpelweg omdat er veel minder bussen rijden — en zelfs dan blijft tegen de klok in rijden de slimmere keuze, voor het geval er nog een enkele passeert.
Onderweg ligt Killarney National Park, met de Muckross House en -tuinen en de bergen van MacGillycuddy's Reeks op de achtergrond, inclusief Carrauntoohil, met 1.038 meter het hoogste punt van Ierland. Een boottocht over de meren van Killarney, met een traditionele jaunting car — een door pony getrokken karretje — naar de aanlegsteiger, kost ongeveer 20 tot 25 euro per persoon en is een van de weinige toeristische dingen hier die de moeite écht waard zijn, ook al klinkt het cliché.
Wie tijd overhoudt, rijdt vanaf Portmagee of Ballinskelligs een boottocht naar Skellig Island, een rotseiland acht kilometer uit de kust waar monniken vanaf de zesde eeuw in stenen hutten hoog boven de golven leefden — dezelfde plek die later diende als filmlocatie voor Star Wars. De tochten varen alleen bij rustig weer en moeten meestal maanden vooraf geboekt worden, maar in september is er, anders dan in juli, nog regelmatig een late annulering beschikbaar.
Praktisch: wanneer gaan, wat het kost, waar op letten
- Beste periode: de eerste drie weken van september, na de Ierse schoolvakanties en vóór de herfststormen die er half oktober vaak al opsteken.
- Vliegen: Dublin is de meest voordelige bestemming vanaf Schiphol, gevolgd door een rit van ongeveer drie uur naar Galway of vier uur naar Kerry.
- Huurauto: boek automatisch een verzekering zonder eigen risico — de smalle wegen op de schiereilanden zorgen jaarlijks voor de nodige spiegelschade.
- Budget: reken op 90 tot 130 euro per nacht voor een goede B&B, 25 tot 40 euro voor een avondmaaltijd met vis, en zo'n 45 tot 60 euro per dag voor een middenklasse huurauto in het laagseizoen.
- Weer: pak een echte regenjas in, geen poncho — de wind op de kliffen maakt van elke paraplu binnen een minuut een verloren zaak.
Boek je nu, dan ben je op tijd voor het rustigste venster van het jaar: warm genoeg om lang buiten te blijven, koel genoeg om zonder rij bij elk uitkijkpunt te staan. Wacht je tot oktober, dan wint de rust nóg meer terrein, maar dan neemt ook het risico op dagenlange regen en afgelaste boottochten flink toe. September blijft, weer of geen weer, de beste gok.