Op Streymoy loopt een schaap zomaar midden op de weg, kijkt je auto aan alsof jij de vreemde eend in de bijt bent, en verroert geen poot. Je wacht. Er zijn hier ongeveer 70.000 schapen tegenover 54.000 mensen, en in september — als de zomertoeristen vertrokken zijn en de eilanden weer stiller worden dan hun eigen wind — voelt die verhouding letterlijk zo. De Faeröer liggen halverwege IJsland en Noorwegen, achttien eilanden met kliffen die zo uit een filmset lijken te komen, en toch is dit een bestemming die de meeste Nederlanders overslaan op weg naar IJsland of Noord-Noorwegen. Dat is precies waarom september het beste moment is om te gaan. De temperaturen liggen dan nog rond de 9 tot 13 graden, de dagen zijn met ruim elf uur licht nog lang genoeg om serieus te wandelen, en de paar duizend cruisepassagiers die in juli en augustus de haven van Tórshavn vullen, zijn dan alweer vertrokken. Wat overblijft is een eilandengroep waar je een wandelpad kunt lopen zonder een andere ziel tegen te komen, waar de wolken elk kwartier van vorm veranderen en waar het weer, zoals de Faeröerders zelf zeggen, gewoon "allemaal tegelijk" kan gebeuren.
Hoe je er vanuit Nederland komt
Een rechtstreekse vlucht vanaf Schiphol is er niet, en dat blijft voorlopig ook zo. De gangbare route loopt via Kopenhagen: KLM, SAS of Transavia vliegen je in ruim anderhalf uur naar Kastrup, en vandaar neemt Atlantic Airways je in zo'n twee uur mee naar vliegveld Vágar, het enige internationale vliegveld van de eilandengroep. Reken voor het hele traject op zo'n 350 tot 550 euro retour als je in september boekt, ruim onder de zomerprijzen van juli en begin augustus. Wie flexibel is met data vindt via Kopenhagen soms ook een tussenstop met SAS die net iets goedkoper uitpakt dan de rechtstreekse Atlantic Airways-vlucht.
Vanaf Vágar is een huurauto geen luxe maar een noodzaak — het openbaar vervoer bestaat uit een beperkt busnet dat vooral forenzen tussen Tórshavn en de omliggende dorpen bedient, niet toeristen die van klif naar klif willen. Reken op zo'n 60 tot 90 euro per dag voor een compacte auto, en boek ruim vooraf: in september is de vloot kleiner dan in het hoogseizoen en raakt hij sneller vol dan je zou verwachten. De eilanden zijn onderling verbonden met een net van tunnels, waaronder de onderzeese Eysturoyartunnilin met zijn ondergrondse rotonde, plus enkele veerboten voor eilanden als Kalsoy en Mykines die niet per tunnel te bereiken zijn.
Praktisch: geld, taal en tijd
De munt is de Deense kroon, al drukken de Faeröer ook eigen bankbiljetten met exact dezelfde waarde — beide worden overal geaccepteerd. Faeröers is de voertaal, maar zo goed als iedereen spreekt vloeiend Deens en Engels, dus een boeking of vraag om de weg is nooit een probleem. De eilanden horen bij het Deense koninkrijk maar vallen buiten de EU en het Schengengebied: als EU-burger heb je geen visum nodig, maar neem wel je paspoort mee, een identiteitskaart volstaat hier niet.
Vijf plekken die het aandurven om indruk te maken
De Faeröer hebben geen tekort aan uitzichten, maar een paar plekken steken er met kop en schouders bovenuit. Sørvágsvatn, ook wel Leitisvatn genoemd, is het grootste meer van de eilanden en ligt op Vágar zo dicht bij de Atlantische Oceaan dat het vanaf het juiste punt lijkt te zweven tientallen meters boven het water — een optische illusie die je pas gelooft als je zelf op de rand van de klif Trælanípa staat. De wandeling erheen duurt ongeveer twee uur retour en eindigt bij de waterval Bøsdalafossur, waar het meer letterlijk over de rand de zee in stort. Op Eysturoy torent de Slættaratindur, met 880 meter het hoogste punt van de eilanden, boven de rest uit. De klim is steil maar technisch niet moeilijk, en op een heldere dag zie je vanaf de top bijna de hele eilandengroep tegelijk — inclusief Kalsoy, waar de vuurtoren van Kallur ligt te wachten na een wandeling van anderhalf uur langs een rug zo smal dat je aan beide kanten de oceaan ziet. Die vuurtoren werd wereldberoemd na een scène in de James Bond-film "No Time to Die" uit 2021, en sindsdien is het pad drukker dan het ooit was, wat voor Faeröerse begrippen nog altijd betekent dat je hooguit een handvol andere wandelaars tegenkomt. Saksun, aan de noordkant van Streymoy, is dan weer een plek waar je niet voor wandelt maar voor stilte: een dorpje van een paar huizen rond een grasgroene lagune die bij vloed verbindt met de open zee, met een negentiende-eeuws kerkje met grasdak dat er even vanzelfsprekend bij hoort als de schapen op het dak ernaast.
En dan is er Gásadalur, tot 2004 alleen bereikbaar via een tocht over de bergen, nu via een tunnel — het dorp zelf is piepklein, maar de tien minuten wandelen naar de waterval Múlafossur, die rechtstreeks van de klif de oceaan in valt, leveren een van de meest gefotografeerde plekken van heel Scandinavië op.
Kom niet naar Mykines voor de papegaaiduikers. Dat is de tegenvaller die vrijwel elke reisgids je niet vertelt: het eiland staat wereldwijd bekend om zijn kolonie papegaaiduikers, maar die vogels broeden van mei tot uiterlijk eind augustus en zijn tegen september alweer terug op zee. Wie in september toch gaat, vindt nog steeds een spectaculair klifeiland met jan-van-genten en een oude vuurtorenwandeling, maar wie puur voor de vogels komt, kiest beter voor eind juli.
Wandelen zonder verrassingen achteraf
Neem het weer op de Faeröer nooit voor lief.
Het verandert sneller dan je het kunt navertellen, en dat is geen cliché maar een praktisch gegeven waarmee je moet plannen. Neem altijd een waterdichte jas en broek mee, ook als de ochtend zonovergoten begint, en trek stevige wandelschoenen aan in plaats van sneakers — de paden zijn vaak drassig, steil en zonder leuning langs de rand van kliffen die zo honderd meter recht naar beneden vallen. Sommige populaire routes, zoals die naar Kallur op Kalsoy, vragen tegenwoordig een kleine toegangsbijdrage van de lokale gemeenschap, meestal een paar euro die je online betaalt vóór je vertrekt; dat geld gaat direct naar onderhoud van de paden. Vermijd het om zonder kaart of gps-track op pad te gaan, hoe kort de wandeling ook lijkt op papier. Mist kan binnen twintig minuten een klif onzichtbaar maken die daarvoor nog kilometers ver te zien was, en op eilanden zonder bomen of duidelijke oriëntatiepunten verdwaal je sneller dan je denkt. De app 360 Panorama en de officiële wandelkaarten van Visit Faroe Islands zijn een betere investering dan welke reisverzekering ook.
Eten en overnachten
Tórshavn, met nog geen 14.000 inwoners de kleinste hoofdstad van Europa, is de logische uitvalsbasis: klein genoeg om alles te voet te doen, groot genoeg voor een paar goede restaurants en een levendige oude haven, Tinganes, waar het parlement al meer dan duizend jaar zetelt. Wie zich een keer wil verwennen, boekt ruim van tevoren bij KOKS, het tweesterrenrestaurant dat de Faeröerse keuken naar het internationale toneel tilde met gerechten van gefermenteerde vis, schapenvet en zeewier — een tasting menu van meer dan twintig gangen kost al snel boven de 400 euro per persoon, en reserveringen voor september zitten vaak al in de lente vol. Voor een betaalbaarder alternatief is Barbara Fish House in Tórshavn de betere keuze: eerlijke, verse vis in een negentiende-eeuws pakhuis, zonder de wachtlijst.
Buiten de hoofdstad overnacht je het beste in een van de guesthouses die de laatste jaren zijn opgekomen in dorpen als Gjógv en Elduvík, vaak gerund door families die er al generaties wonen en die je 's ochtends net zo makkelijk vertellen waar de wind vandaan komt als waar het beste brood van het dorp te koop is. Camping is er wel, maar door de wind en de vochtigheid raden lokale toeristenbureaus het alleen aan wie echt ervaring heeft met noordelijk kamperen.
Een week Faeröer: zo bouw je het op
Vijf tot zeven dagen is genoeg om de eilanden serieus te verkennen zonder je dagen vol te proppen. Begin met twee nachten in Tórshavn voor Streymoy en de tunnels naar Eysturoy, verplaats je dan naar het noorden voor Saksun, Gjógv en de Slættaratindur, en reserveer de laatste dagen voor Vágar met Gásadalur, Sørvágsvatn en, als het weer meewerkt, een boottocht naar Mykines. Boek die boottocht flexibel: bij te veel wind vaart de veerboot simpelweg niet, en in september komt dat vaker voor dan in juli.
Wat je zeker niet moet doen, is proberen alle achttien eilanden in één week af te vinken. De Faeröer belonen traagheid — een middag zonder programma, uitkijkend over een fjord terwijl de mist optrekt en weer neerdaalt, is meestal het moment dat mensen zich achteraf het beste herinneren. Neem dat serieus in je planning, en laat minstens één dag helemaal leeg.