Terwijl de weerapp in Sevilla veertig graden aangeeft en het asfalt bijna zichtbaar trilt van de hitte, staat er in Baiona, aan de noordwestpunt van Spanje, een frisse wind vanaf de Atlantische Oceaan te waaien. De thermometer wijst tweeëntwintig graden aan, de lucht ruikt naar zout en zeewier, en op de kade lossen een paar vissers hun ochtendvangst mosselen. Dit is Galicië, de regio die de meeste Nederlandse zomertoeristen straal voorbijrijden op weg naar de Costa del Sol of de Algarve — en precies dat is de reden waarom het er zo rustig, groen en betaalbaar is gebleven.
Galicië ligt in de uiterste noordwestelijke hoek van het Iberisch schiereiland, boven Portugal en met de rug naar de rest van Spanje gekeerd. Het is een regio met een eigen taal (Galicisch, nauw verwant aan het Portugees), een keuken die draait om zeevruchten en witte wijn, en een landschap dat meer aan Bretagne of Ierland doet denken dan aan het droge zuiden waar de meeste mensen bij "Spaanse zomer" aan denken. Waar de rest van het land in juli en augustus verschroeit onder de zoveelste hittegolf, blijft het hier aangenaam mild — ideaal voor wie van een zomervakantie houdt zonder de airconditioning de hele dag op vol vermogen te hoeven zetten.
Waarom je deze zomer naar het noordwesten moet
De cijfers liegen niet: in juli ligt de gemiddelde middagtemperatuur in Vigo, de grootste stad van Galicië, rond de drieëntwintig tot vierentwintig graden, terwijl steden als Sevilla en Córdoba geregeld boven de achtendertig graden uitkomen en op piekdagen zelfs de veertig aantikken. Dat verschil van vijftien graden is geen toeval. De Atlantische Oceaan werkt als een natuurlijke airconditioning, en de vochtige, groene heuvels van het binnenland zorgen voor een klimaat dat Galiciërs zelf weleens met een knipoog "het Ierland van Spanje" noemen. Voor wie een kustvakantie zoekt zonder urenlang in de schaduw te moeten wegkruipen, is dat geen marketingpraatje maar een reëel argument om deze zomer niet richting Andalusië of de Costa Blanca te rijden, maar naar het noordwesten. Galicië trekt bovendien vooral Spaanse en Portugese vakantiegangers, geen internationale massastromen zoals Barcelona of Palma de Mallorca die in augustus wel zien. Beter is om je route rond de Rías Baixas te plannen — de zuidelijke, groene riviermondingen tussen Vigo en Pontevedra — dan rond de noordelijke Rías Altas, waar het water kouder is en het weer wisselvalliger. De Rías Baixas bieden het beste van twee werelden: strandweer zonder de hitte, en een landschap dat groen blijft terwijl de rest van het schiereiland geel en verdord wordt.
De Rías Baixas: riviermondingen vol mosselbootjes en wijngaarden
Een ría is geen gewone baai — het is een diepe, fjordachtige riviermonding waar zoet en zout water samenkomen, omzoomd door pijnbomen en eucalyptusbossen. In het water drijven honderden houten platforms, bateas genoemd, waaraan mosselen groeien: Galicië levert bijna veertig procent van alle mosselen die in Europa worden gegeten, en je proeft het verschil meteen met de mosselen die je in een Nederlandse supermarkt koopt. Vissersdorpjes als Combarro, Cambados en O Grove liggen als kralen aan een snoer rond de ría van Pontevedra, elk met een eigen haven, een eigen marktje en een eigen kijk op hetzelfde gerecht van octopus en witte wijn.
Albariño proeven in Cambados
Cambados is de wijnhoofdstad van de Rías Baixas en draait om één druif: Albariño, een droge, mineralige witte wijn die perfect bij zeevruchten past en zelden voor meer dan tien tot vijftien euro per fles in een lokale bodega staat. Het eerste weekend van augustus viert de stad de Festa do Albariño, met wijnproeverijen op het hoofdplein en muziek tot diep in de nacht — vroegboeken voor een kamer is dan geen overdreven advies, het is noodzaak. Buiten dat weekend is Cambados juist heerlijk rustig: je loopt over het middeleeuwse plein, drinkt een glas Albariño in een van de cafés aan de rand, met uitzicht op de ría, en niemand haalt je over om ergens een foto voor te maken.
Islas Cíes: het strand dat aanvoelt als de Caraïben
Zonder pas kom je de boot niet eens op.
De Islas Cíes zijn een archipel van drie onbewoonde eilanden voor de kust van Vigo, onderdeel van het Nationaal Park van de Atlantische Eilanden. Praia de Rodas, het strand tussen de twee grootste eilanden, wordt door reismedia geregeld genoemd als een van de mooiste stranden van Europa — wit zand, water in tinten turquoise die je eerder in Griekenland zou verwachten, en vrijwel geen bebouwing. Precies om die reden is de toegang streng gereguleerd: de Xunta de Galicia, het regionale bestuur, laat maar een vastgesteld aantal bezoekers per dag toe en je moet vooraf online een toegangspas aanvragen, los van je veerbootticket. De boot vanuit Vigo vaart in ongeveer vijfenveertig minuten naar de eilanden en kost retour rond de twintig euro. Vermijd het regelen van die pas op het laatste moment — in juli en augustus zijn de dagpassen voor de populairste data soms al weken van tevoren vergeven, vooral in het weekend. Wie doordeweeks gaat en op tijd reserveert, heeft de beste kans op een plekje, en wordt beloond met een strand waar je 's middags nog steeds ruimte genoeg vindt om je handdoek neer te leggen zonder tegen een buurman aan te liggen.
Combarro: hórreos die het water in lijken te lopen
Combarro is het dorp dat op elke Galicische ansichtkaart staat, en dat is geen toeval. Eén blik op de rij hórreos langs het water is genoeg om te begrijpen waarom fotografen hier al decennia naartoe komen: vissers die netten drogen, kinderen die van de kade springen, een vrouw die op een krukje voor haar deur vis schoonmaakt — een scène die te compleet oogt om spontaan te zijn, en toch is dat precies wat het is. Langs de waterlijn staat een lange rij hórreos: stenen graanschuren op pootjes, van oudsher gebruikt om maïs droog en muisvrij te bewaren, hier zo dicht bij zee gebouwd dat het bij vloed lijkt alsof ze zo het water in stappen. De oude straatjes achter de kade zijn te smal voor auto's en geplaveid met dezelfde grijze steen als de huizen, wat het dorp 's avonds — als de dagjesmensen weg zijn — een bijna filmische stilte geeft. Een half uur rijden vanaf Pontevedra is genoeg om er te komen, wat Combarro tot een makkelijke tussenstop maakt op weg van de ene ría naar de andere.
Santiago de Compostela zonder de pelgrimsdrukte
Je hoeft geen achthonderd kilometer over de Camino Francés te hebben gelopen om Santiago de Compostela te mogen bezoeken. De stad is allereerst een universiteitsstad met granieten straatjes, overdekte marktjes en een studentenbevolking die de kroegen rond de Rúa do Franco tot diep in de nacht open houdt. De kathedraal aan de Praza do Obradoiro, met zijn barokke voorgevel van verweerd grijs graniet, is het middelpunt waar pelgrims na weken lopen eindelijk aankomen — en waar jij, als je binnen een uur vanaf je hotel bent, precies hetzelfde uitzicht op het plein krijgt zonder de blaren.
Een kanttekening die eerlijkheid vereist: ook in juli kan het in Santiago de Compostela een hele dag regenen. Galicië heet in Spanje niet voor niets "Spanje in het groen" — die weelderige, vochtige heuvels bestaan bij de gratie van neerslag, en zelfs midden in de zomer valt er gemiddeld op een stuk of vier, vijf dagen per maand regen. Pak dus een lichte regenjas in, ook al vertrek je met het idee dat je voor puur zonvakantieweer naar Spanje gaat. De compensatie is een stad die er na een bui, met natte kasseien en een lage avondzon, nog fotogenieker uitziet dan op een droge dag.
Eten: pulpo á feira, percebes en een glas ijskoude Albariño
De Galicische keuken draait niet om tapas zoals je die uit Andalusië kent, maar om producten uit zee die zo min mogelijk worden bewerkt. Enkele gerechten die je tijdens je reis zeker tegenkomt, zonder dat dit lijstje compleet is:
- Pulpo á feira — gekookte octopus in plakjes, bestrooid met paprikapoeder, grof zeezout en olijfolie, geserveerd op een houten bordje zoals op de kermis waar het gerecht zijn naam aan dankt.
- Empanada gallega, een hartige taart met een vulling van tonijn, ui en paprika, verkrijgbaar bij vrijwel elke bakker voor een paar euro per punt.
- Percebes, de merkwaardige zeepokken die met levensgevaar van de rotsen worden losgetrokken en daardoor soms zestig tot negentig euro per kilo kosten — een delicatesse voor wie durft, en een prijs die in één klap duidelijk maakt waarom.
- En dan natuurlijk de tarta de Santiago, een amandelcake met het kruis van Sint-Jacobus in poedersuiker op het deksel gestempeld, en de Albariño die bij vrijwel elk van deze gerechten wordt aangeraden.
Vermijd de toeristenmenu's direct rond de kathedraal in Santiago — loop een paar straten door naar de Rúa do Franco of de Mercado de Abastos, waar een compleet driegangenmenu met huiswijn bij de meeste eetcafés tussen de vijftien en twintig euro kost, tegen het dubbele op het plein zelf.
Praktisch: wanneer je gaat en hoe je er komt
Vueling en Ryanair vliegen in de zomer rechtstreeks vanaf Nederlandse luchthavens naar Santiago de Compostela en Vigo, met een vliegtijd van iets meer dan twee uur. Wie de reis wil combineren met Porto — dat op ongeveer honderdvijftig kilometer afstand ligt, zo'n twee uur rijden over de snelweg — kan er ook voor kiezen daar aan te komen en de grens over te rijden. Een auto huren is vrijwel onmisbaar: het openbaar vervoer tussen de kustdorpjes is beperkt tot een paar bussen per dag, en juist de kleine plekjes als Combarro of de wijngaarden bij Cambados liggen buiten het spoor. Beter is een auto huren in Vigo dan in Santiago, waar de tarieven in het hoogseizoen doorgaans wat lager liggen.
Reken voor een gemiddelde kamer in een goede pensión in Pontevedra of Cambados op zeventig tot negentig euro per nacht in juli, ruim onder wat je voor vergelijkbaar comfort aan de Costa Brava betaalt. Vijf tot zeven dagen is genoeg om de Rías Baixas, de Cíes-eilanden en Santiago de Compostela rustig te combineren, zonder dat je elke dag hoeft in te pakken en verder te rijden. Wie na deze route nog meer ideeën zoekt, rijdt door naar Cabo Home of de Barbanza-kust, waar zelfs in het hoogseizoen soms geen ander mens op het strand te bekennen is — geen privéresort, geen wachtrij, alleen wind, meeuwen en het geluid van de Atlantische Oceaan die tegen het graniet slaat.