Half acht 's ochtends staat er nog niemand op het uitkijkpunt boven de kliffen van Polignano a Mare. De vissersboten liggen te deinen in een inham die eruitziet alsof iemand hem met een beitel uit de kalksteen heeft gehakt, en de eerste zwemmers laten zich van de rotsen glijden voordat de dagjesmensen uit Bari arriveren. Tegen elf uur is het een heel andere scène: rijen voor de beste foto, geparkeerde bussen, een ijscokar die driemaal de vraagprijs vraagt. Wie in augustus komt, ziet vooral die tweede versie van Puglia. Wie in september komt, krijgt de eerste te zien — en dat verschil is precies waarom deze Italiaanse hak de laatste jaren stilletjes van roadtrip-geheimtip naar serieuze bestemming is gegroeid, zonder dat de septembermaand daarin is meegegroeid. Dat gat tussen de populariteit van de bestemming en de onwetendheid over het beste moment om te gaan, is precies waar dit verhaal over gaat.
Waarom september wint van augustus
De temperaturen in Puglia liggen in september nog ruim tussen de 18 en 26 graden, met zeewater dat na een hele zomer opwarmen nog volop zwembaar is. Vergelijk dat met de verstikkende hitte van eind juli en begin augustus, wanneer thermometers in het binnenland regelmatig richting de 35 graden kruipen en zelfs de kust nauwelijks verkoeling biedt. Er is dus geen weersargument om op augustus te wachten, en wél een heel goed argument om dat juist niet te doen. Vermijd de laatste twee weken van augustus als je een keuze hebt: dat is wanneer Italiaanse gezinnen zelf op vakantie zijn en de Ferragosto-drukte de kustplaatsen letterlijk laat overlopen.
Toch is september geen leeg seizoen — en dat is precies de nuance die reisblogs graag overslaan. De eerste twee, drie weken van de maand zijn nog behoorlijk gewild bij Italiaanse en Duitse toeristen, dus reserveer een goede masseria of B&B ruim van tevoren als je een specifieke plek op het oog hebt. Pas na het derde weekend van september merk je het verschil echt: de wachtrijen worden korter, restaurants nemen weer de tijd voor een gesprek, en de eigenaar van je logeeradres vraagt ineens waar je vandaan komt in plaats van je snel een sleutel toe te schuiven. Wie toch nog een streepje drukte wil combineren met een stukje lokale traditie, plant de reis rond 26 en 27 september: dan viert Alberobello de Festa dei Santi Cosma e Damiano, een eeuwenoud pelgrimsfeest met processies, marktkramen en 's avonds vuurwerk boven de trulli-daken. Vlucht- en verblijfsprijzen liggen in die laatste twee weken van de maand merkbaar lager dan in de Ferragosto-weken, vooral omdat de vraag vanuit Italië zelf dan grotendeels wegvalt. Check wel de weersvoorspelling vlak voor vertrek: de eerste herfstbuien kunnen zich eind september al aandienen, met name in het binnenland rond de Murgia-hoogvlakte, waar het een paar graden kouder is dan aan de kust.
Twee zeeën, één schiereiland
Wat Puglia uniek maakt binnen Italië is de geografie: de hak van de laars ligt tussen twee zeeën die qua karakter compleet verschillen, en beide zijn binnen een uur rijden vanaf elkaar te bereiken. Aan de ene kant de Adriatische Zee, met steile kliffen, verstopte kalksteenbaaien en de witgekalkte dorpen waar Puglia beroemd om is geworden. Aan de andere kant de Ionische Zee, zachter, ondieper en met de fijne zandstranden die je eerder in Griekenland zou verwachten.
De Adriatische kant: kliffen en witte dorpen
Polignano a Mare is het meest gefotografeerde stukje kust, maar Ostuni verdient minstens evenveel aandacht. De "Città Bianca" ligt op een heuvel een paar kilometer landinward en oogt vanaf de snelweg als een ijsberg tussen de olijfgaarden. Loop er 's avonds door de nauwe steegjes tussen de gekalkte huizen — precies het uur waarop de gevels het felle wit inruilen voor een warme oranje gloed — bestel bij een van de kleine cafés aan het plein een espresso, en je begrijpt meteen waarom fotografen hier blijven hangen tot na zonsondergang. Iets noordelijker ligt Trani, met een kathedraal die letterlijk op de golfbreker lijkt te staan, en het is opvallend hoe weinig Nederlandse reizigers die plek kennen vergeleken met Ostuni.
De Ionische kant: zachtere baaien en Gallipoli
Voor wie liever zwemt dan foto's maakt, is de Ionische kust bij Gallipoli en Porto Cesareo de betere keuze. Het water is er ondieper, de bodem zanderig in plaats van rotsig, en kinderen kunnen hier tientallen meters ver het water in lopen zonder dat het dieper wordt dan hun middel. Beter is het om je route zo te plannen dat je minstens één nacht aan elke kust doorbrengt: de sfeer verschilt zo sterk dat je anders het gevoel mist twee kanten van hetzelfde schiereiland te hebben gezien.
De trulli van Alberobello
Overdag is Alberobello vooral een foto van zichzelf.
De duizend-plus trulli — de kegelvormige stenen huisjes met hun witte muren en grijze daken, uniek genoeg om op de UNESCO-werelderfgoedlijst te staan — trekken tussen tien uur 's ochtends en vier uur 's middags groepen die amper de tijd nemen om verder te kijken dan de meest fotogenieke straat, de Rione Monti. Niet nodig om je daar druk over te maken: boek in plaats daarvan een nacht in een van de trulli die zijn omgebouwd tot kleine vakantiewoningen met een eigen privé-tuin, meestal tussen de 90 en 160 euro per nacht voor twee personen, en het beeld kantelt volledig. Tegen zeven uur 's avonds vertrekt het laatste touringcar-gezelschap, de souvenirwinkels sluiten hun luiken, en de smalle straatjes vallen terug in een stilte die je nergens anders in Puglia zo geconcentreerd tegenkomt. Dat contrast tussen dag en avond is precies waarom een overnachting hier het verschil maakt tussen "afgevinkt" en "onthouden".
Lecce en het barok van het Zuiden
Verderop naar het zuiden, op het Salento-schiereiland, ligt Lecce — de stad die Italianen zelf soms "het Florence van het Zuiden" noemen, wat overdreven is, maar niet helemaal onterecht. De gevels van gele Lecce-steen zijn hier zo uitbundig bewerkt met engelen, druiventrossen en gezichten dat de term barocco leccese er speciaal voor is bedacht. Loop langs de Basilica di Santa Croce, drink een espresso in een van de cafés aan Piazza Sant'Oronzo bij de Romeinse zuil, en reken op een paar uur wandelen zonder vaste route — dat werkt hier beter dan een strak schema. Vanuit Lecce is het minder dan drie kwartier naar Otranto, de oostelijkste stad van Italië, waar het water een blauw heeft dat je eerder aan de Caraïben toeschrijft dan aan de Adriatische Zee. Neem er gerust één extra middag voor: het historische centrum leent zich slecht voor een haastig bezoek van anderhalf uur tussen twee treinen door.
Hoe je er komt
Vanuit Nederland vlieg je rechtstreeks met Transavia vanaf Amsterdam naar Bari, een vlucht van ruim twee en een half uur die het hele jaar door meerdere keren per week wordt uitgevoerd. Puglia heeft daarnaast twee luchthavens die je reisroute bepalen: Bari (BRI) ligt dichter bij Polignano a Mare, Alberobello en Trani, terwijl Brindisi (BDS) beter uitkomt als Lecce, Otranto en het Salento-schiereiland je hoofddoel zijn. Land je toch op Bari met plannen voor het zuiden, dan is de trein een prima oplossing: de Frecciarossa naar Lecce doet er ongeveer anderhalf uur over, de Intercity iets meer dan twee uur. Voor de kustplaatsen dichter bij Bari zelf rijden de regionale treinen frequent en goedkoop — richting Polignano a Mare vertrekt er zo'n veertig keer per dag een trein, met kaartjes vanaf ongeveer acht euro, en in de coupé zit je binnen een uur al met je voeten in het zand.
- Bari als uitvalsbasis: ideaal voor Polignano a Mare, Alberobello, Ostuni en Trani binnen een straal van vijfenveertig minuten.
- Brindisi als uitvalsbasis: logischer voor wie vooral Lecce, Otranto en de Ionische kust wil zien.
- Auto huren blijft de meest flexibele optie, al is een huurauto voor een verblijf van uitsluitend Lecce en Otranto eigenlijk overbodig, want die twee steden zijn ook goed met de trein en lokale bus te combineren.
Wat er op tafel komt
De keuken van Puglia draait niet om ingewikkelde technieken, maar om drie of vier ingrediënten die stuk voor stuk van uitzonderlijke kwaliteit moeten zijn — en dat merk je meteen aan de menukaart. Orecchiette, de kleine oorvormige pasta die van oudsher met de hand wordt gerold, verschijnt bijna overal in combinatie met cime di rapa, een bittere broccolisoort die perfect balanceert tegen knoflook en ansjovis. Burrata komt oorspronkelijk uit Andria, een stadje dat weinig toeristen ooit bezoeken, en de versie die je daar rechtstreeks bij de kaasmaker koopt heeft weinig te maken met de verpakte burrata uit de Nederlandse supermarkt. Olijfolie is hier geen bijzaak: Puglia produceert veruit het grootste deel van de Italiaanse olijfolie, en in veel masserie kun je de oogst — die precies in oktober begint — nog net zien voorbereiden als je in de laatste septemberweek reist.
Eén kanttekening is hier wel op zijn plaats: niet elk restaurant met uitzicht op zee is het proberen waard. De beste keukens van Puglia zitten opvallend vaak een paar straten van de boulevard af, zonder terras met zeezicht, in ruimtes die van buiten eerder op een garage lijken dan op een restaurant. Vraag gerust aan je hoteleigenaar naar zijn eigen favoriet in plaats van op de eerste indruk van Google Maps af te gaan — dat advies heeft in Puglia vaker tot het beste bord van de reis geleid dan welke recensie dan ook, en het kost je hooguit één telefoontje bij de receptie.
Wat overblijft na een week tussen de twee zeeën is geen lijstje afgevinkte dorpen, maar een gevoel: dat Puglia zich, ondanks alle aandacht van de laatste jaren, nog altijd meer laat kennen dan bekijken. Neem de tijd voor één stad per dag in plaats van drie, laat de airconditioning van de huurauto een keer uit, en rijd met het raam open langs de olijfgaarden. Precies dat tempo is waarom september hier werkt en augustus niet.