Terwijl de veerboten tussen Ancona en Igoumenitsa deze week weer uren vertraging melden en de campings langs de Ionische kust al sinds juni volgeboekt zijn, ligt hooguit twee uur landinwaarts een streek waar diezelfde augustusdrukte gewoonweg niet doordringt. Zagori heet die streek: een lappendeken van zesenveertig stenen dorpen — de Zagorochoria — verspreid over de Pindos-bergen in Epirus, het noordwesten van Griekenland. Geen wachtrijen voor de pont, geen volgeboekte strandbedden, wel een kloof die op sommige plekken dieper is dan breed en al sinds 1997 in het Guinness Book of Records staat als de smalste-en-diepste kloof ter wereld. Ioannina, de regionale hoofdstad aan het meer van Pamvotis, ligt op amper drie kwartier rijden van de eerste stenen dorpjes, en toch komen de meeste zomerreizigers hier nooit. Ze vliegen door naar Korfoe of Kefalonia en missen een Griekenland dat weinig met eilandhoppen te maken heeft — koeler, stiller, en gebouwd uit grijze leisteen in plaats van wit gekalkt beton. Wie hier in augustus aankomt, ruilt zonnebrand voor een fleece trui na zonsondergang, want boven de achthonderd meter zakt de temperatuur 's avonds al snel naar een graad of twaalf.
Zagori: tussen twee werelden
Zagori is geen dorp maar een bestuurlijke streek, officieel zelfs een Unesco Global Geopark sinds 2010, met de Vikoskloof als kroonjuweel. De zesenveertig dorpen liggen als kralen aan een ketting langs de flanken van de kloof, verbonden door smalle bergwegen die pas in de jaren zestig zijn geasfalteerd. Daarvoor reisde je hier te voet of te paard, en dat verleden is nog overal zichtbaar: gewelfde stenen bruggen, kasseien straatjes, herenhuizen met leistenen daken die eruitzien alsof ze zo uit een Alpenprentbriefkaart zijn geknipt. Het contrast met de rest van Griekenland is groot. Waar de eilanden leven van massatoerisme en de Egeïsche kust vol staat met ketenhotels, bleef Zagori tot diep in de twintigste eeuw grotendeels geïsoleerd — de wegen waren te steil, de winters te lang, de dorpen te klein voor grote investeerders. Die isolatie is nu juist de troef: geen enkel dorp in Zagori telt meer dan een paar honderd inwoners, en de meeste guesthouses hebben tien kamers of minder. Vergelijk dat met Oia op Santorini, waar één straat alleen al tientallen hotels telt, en je begrijpt meteen waarom rust hier geen marketingtaal is maar een simpel gevolg van schaal.
De Vikoskloof: wandelen door een wereldrecord
De klassieke tocht loopt van Monodendri naar het dorpje Vikos, ongeveer twaalf kilometer met zo'n duizend meter hoogteverschil, goed voor zes tot zeven uur stevig wandelen. Onderweg passeer je het klooster Agia Paraskevi, dat op een richel boven de afgrond hangt, en de rivier de Voidomatis, die zelfs in augustus ijskoud smeltwater uit de bergen aanvoert. Neem voldoende water mee — er is onderweg geen enkele plek om iets te kopen. Dat is meteen ook de kanttekening bij deze wandeling: hij is prachtig, maar niet mals. De laatste beklimming naar Vikos gaat over losse stenen in de brandende middagzon, en wie denkt dat een ochtendwandeling op de eilanden hetzelfde is als een tocht door de Pindos, komt hier bedrogen uit. Sommige reizigers keren na twee uur alweer om.
Wie liever fietst of raft, kan bij Voidomatis Trekking in het dorpje Aristi een tocht op de rivier boeken, meestal een kalme afdaling van anderhalf uur die zelfs voor kinderen geschikt is. Beter is die riviertocht te combineren met een korte wandeling naar het uitzichtpunt van Oxia, waar je zonder ook maar een stap in de kloof te zetten hetzelfde duizelingwekkende uitzicht krijgt als de wandelaars beneden. Vermijd de piek van elf tot drie uur bij Oxia in het hoogseizoen — dan staan er busladingen dagjesmensen uit Ioannina, met precies de drukte waar je in Zagori net voor kwam.
Voor wie liever een kortere wandeling maakt, is er de stenen trap van Vradeto, de Skala Vradetou: een kronkelende, eeuwenoude route die het dorp Kapesovo verbindt met het hoger gelegen Vradeto. De beklimming duurt ongeveer drie kwartier en eindigt bij een tweede, minder bekend uitkijkpunt op de kloof — meestal zonder een andere wandelaar in zicht.
Papigko en de stenen bruggen van Kipoi
Megalo Papigko en zijn kleine buurdorp Mikro Papigko liggen aan de voet van de Astraka-toppen en gelden als de mooiste van de veertien dorpen die je in één dagtocht kunt combineren. De herenhuizen — architontika genoemd — zijn gebouwd uit dezelfde grijze steen als de bergen erachter, met houten balkons en dakpannen van leisteen. Veel zijn nu guesthouses, waarvan de betere exemplaren tussen de zeventig en honderdtien euro per nacht kosten voor een tweepersoonskamer met ontbijt, ruim onder de honderdvijftig tot tweehonderd euro die je voor een vergelijkbare kamer met zeezicht op Mykonos betaalt in dezelfde week. Twintig minuten verderop ligt Kipoi, bekend om zijn drieboogsbrug van Kalogeriko, gebouwd in 1814 en nog altijd intact. Dit soort bruggen — er zijn er meer dan tachtig verspreid over Zagori — dienden ooit om handelaren en hun muildieren droog de rivieren te laten oversteken, en de meeste staan er nog precies zo bij als op negentiende-eeuwse tekeningen.
Konitsa, iets noordelijker, heeft de grootste hangbrug van de streek en een eigen microklimaat dat het dorp geschikt maakt voor sinaasappelbomen — ongewoon op achthonderd meter hoogte in de Griekse bergen. Eet er 's avonds een bord hilopites met konijn in een van de tavernes aan het plein, meestal voor tussen de tien en veertien euro, en je proeft meteen waarom de Epirotische keuken anders smaakt dan wat je op de eilanden krijgt voorgeschoteld: minder olijfolie en tomaat, meer wild, kaas en bladerdeeg. De beroemde pites van de streek — hartige taarten gevuld met wilde groenten, prei of kaas — zijn overal te vinden voor een paar euro per stuk en vormen samen met een glas lokale tsipouro een prima lunch onderweg.
Ioannina: het meer, het kasteel en het ritme van de eigen inwoners
Wie in Zagori overnacht, rijdt vroeg of laat door Ioannina, en het loont de moeite er een dag te blijven hangen in plaats van meteen door te rijden naar de dorpen. De stad ligt aan het meer van Pamvotis, met op een schiereiland een ommuurde vestingstad uit de Ottomaanse tijd waar tot 1822 de beruchte Ali Pasha regeerde — de Albanese krijgsheer die decennialang een eigen rijk runde binnen het Ottomaanse Rijk en uiteindelijk in zijn eigen kasteel werd doodgeschoten. Binnen de muren staan een moskee met een van de weinige nog intacte minaretten van Griekenland en een klein maar goed ingericht museum over de islamitische periode van de stad. Buiten de muren, aan de kade, vertrekken elk half uur bootjes naar het eilandje midden in het meer, waar acht kleine kloosters liggen en waar vissers nog altijd paling en meerforel verkopen aan de weinige toeristen die de moeite nemen om over te steken.
Ioannina is ook al eeuwenlang het centrum van de Griekse zilversmeedkunst, een ambacht dat je terugziet in de kleine werkplaatsen rond het kasteel waar zilverwerk nog met de hand wordt gedreven. Koop hier een sieraad of een klein presenteerblaadje en je steunt een traditie die van generatie op generatie is doorgegeven, in plaats van een fabrieksmagneet die toch in elke souvenirwinkel op de eilanden hetzelfde is. 's Avonds, als de dagjesmensen zijn vertrokken, verandert de kade in een wandelboulevard voor de eigen inwoners: gezinnen op de fiets, studenten van de plaatselijke universiteit, oudere mannen die tavli spelen op de terrassen. Dat inwonersritme, niet toeristenritme, is precies wat je op de meeste Griekse eilanden in augustus allang niet meer vindt.
Praktisch: hoe je er komt en wanneer
Ioannina heeft een klein vliegveld met dagelijkse binnenlandse vluchten vanuit Athene, ongeveer vijftig minuten in de lucht en vanaf zo'n zestig euro enkele reis in augustus. Vlieg je rechtstreeks vanuit Nederland of België, dan land je meestal op Corfu of op Aktion bij Preveza, beide op anderhalf tot twee uur rijden van de eerste Zagori-dorpen. Een huurauto is geen luxe maar een noodzaak: er rijdt vrijwel geen openbaar vervoer tussen de dorpen, en de bergwegen zijn smal genoeg dat je met een kleinere auto beter af bent dan met een suv. Reken op zo'n vijfendertig tot vijfenveertig euro per dag in het hoogseizoen bij de lokale verhuurders in Ioannina, vaak voordeliger dan de internationale ketens op het vliegveld zelf. Mis je dan niets, zo ver van de kust? Eigenlijk maar één ding — een duik in zee na een hete wandeldag — en daarvoor rijd je in nog geen twee uur naar de Ionische kust bij Parga.
- Beste periode: eind augustus tot begin oktober, wanneer de hitte breekt maar de wegen nog droog zijn
- Vermijd het weekend rond 15 augustus, wanneer ook Griekse gezinnen massaal naar Zagori trekken voor Maria Hemelvaart
- Pak een lichte regenjas in — in de bergen kan het middagonweer zelfs in augustus zomaar losbarsten, iets wat je op de eilanden zelden meemaakt
Wie meer tijd heeft, combineert Zagori vaak met Meteora, de rotskloosters zo'n twee uur zuidelijker. Beter is Meteora vroeg in de ochtend te bezoeken, voor tien uur, want ook daar rijden inmiddels dagelijks tientallen touringcars uit Athene vol dagjesmensen. Zo pak je het beste van twee werelden: de fotogenieke kloosters zonder de wachtrij bij de kassa, en de stilte van de bergdorpen als beloning aan het einde van de dag.
Blijf minstens drie nachten, want de streek verdient meer dan een uitstapje vanuit Ioannina. Wie hier na een lange dag wandelen 's avonds op een houten balkon zit, met de kerkklokken van Papigko op de achtergrond en de eerste sterren boven de Astraka-toppen, begrijpt waarom sommige Atheense stelletjes hier hun bruiloft vieren in plaats van op een wit eiland met zeezicht. Het zout van de zomer zit dit keer niet in de lucht, maar in de kaas die de herder verderop in de straat nog zelf maakt.